Behoud

Geschiedenis

Historie fruitbomen langs de IJssel

Op de boerderijen langs de IJssel ontwikkelden zich vanaf 1860 uit de boomgaard voor eigen gebruik steeds meer productieboomgaarden. De fruitbomen, met een kroon beginnend bij 1.80 meter,  werden in het grasland aangeplant waarbij de koeien onder de bomen konden blijven grazen. Het areaal groeide in bijna een eeuw gestaag door, door de stijgende vraag door binnenlandse fruitconsumptie en export. De boomgaarden variëren van 0,5 ha tot wel 8 ha. De boomgaarden werden aangeplant op de vruchtbare zavelgrond dicht langs de rivier. De meeste boomgaarden lagen aan weerszijden van de IJssel tussen Zwolle en Deventer. Tussen 1940 en 1950 werd het grootste areaal geteld, namelijk 2300 hectare. Er werden vooral appelen en peren geteeld. De fruitteelt paste goed in de arbeidsspreiding van het werk op de boerderijen (oogst in september en oktober en snoeien in de winter). Ook werden er bijenvolken gehouden voor de bestuiving, zo’n 5 volken per ha fruit.

De afzet van het fruit werd op verschillende wijzen geregeld. Het fruit werd op stam via bieding of verpachting bij inschrijving verkocht De koper was zelf verantwoordelijk voor het plukken van het fruit. Ook werd het fruit aangeboden op markten in de verre omtrek en opgekocht door handelaren voor verkoop elders. Later kwamen er coöperatieve fruitveilingen in Wijhe, Olst (1921-1967) en Deventer (1906-1986 later Twello) waarbij een betere prijsvorming voor boeren tot stand kwam voor de verkochte partijen fruit. Ook voor handelaren was de veiling een plek waar direct meerdere partijen konden worden gekocht.

De IJsselstreek kent geen traditie op het gebied van (industriële) verwerking. In Veessen stond ooit een appelstroopfabriekje en de vleesconservenbedrijven Meester in Wijhe en Olba in Olst hebben een periode appelmoes en kersen op sap geproduceerd. Daarnaast werd er fruit gedroogd met nawarmte van ovens bij plaatselijke bakkers en bij de steenfabrieken bij het afkoelen van de steenovens.

Het assortiment aan fruitrassen was tamelijk uitgebreid. De belangrijkste rassen appels waren de Sterappel, de Schone van Boskoop , Lemoen, Notaris, Yellow Transparant, Jonathan, Groninger Kroon, Present van Engeland, Bramley’s Seedling en de zoete variëteiten als de Zoete Kroon, Zoete Pippeling, Dijkmanszoet, Zoete Bloemee. Bij de peren waren de Juttepeer, Legipont, Winterjan, Zoete Brederode, Gieser Wildeman, Clapp’s Favourite, Conference en Zwijndrechtse wijnpeer de belangrijke rassen.

De kennis over de fruitteelt bij de boeren werd verkregen door een (winter)vakopleiding te volgen aan de fruitteeltvakschool in Terwolde. Die was van 1937-1985 aan de Molenweg gevestigd. 

De hoogstamfruitteelt verdween snel in de tweede helft van de vorige eeuw. Onder invloed van stijgende arbeidskosten, specialisatie, ontmenging en intensivering van de agrarische bedrijfssystemen en nieuwe teeltinzichten met laagstam productie werd hoogstamteelt economisch onaantrekkelijk. Met premies van de overheid werden veel boomgaarden gerooid. De eerste rooiregeling voor Nederland was in 1953. In 1957 volgde een tweede regeling en in 1970 volgde een rooiregeling vanuit de EEG. Tussen 1968 en 1973 werden in Nederland ongeveer 17.000 hectaren hoogstamboomgaarden gerooid. De resterende boomgaarden werden niet meer onderhouden en jaarlijks stierven er bomen af. Daarmee verdween de hoogstamboomgaard als karakteristiek element in het IJssellandschap grotendeels. Met de bomen verdwenen echter ook de traditionele fruitrassen omdat die niet als laagstam geteeld werden, mede door de introductie van nieuwe meer oogst zekere rassen.

Hernieuwde belangstelling

Vanaf de midden jaren negentig is er echter weer een groeiende belangstelling voor het behoud van hoogstamfruitbomen, vooral bij buitenlui die op vrijkomende boerderijen komen wonen. Daar is een combinatie van redenen voor. Een belangrijke reden is de (cultuur)landschappelijke en natuurwaarde. Steeds meer mensen krijgen oog voor de inpassing van hun woning of bedrijf in het landschap en daarmee voor het herstel van de oorspronkelijke erfbeplanting en een boomgaard. De bomen tekenen en kleuren het landschap, zorgen voor afwisselende begroeiing en verlenen het erf zijn karakteristieke, oorspronkelijke aanblik. Hoogstamfruitbomen zijn het domein van veel insecten en geliefd bij de verschillende soorten vogels. Oude bomen met holten in de stam bieden broedgelegenheid aan steenuilen en vleermuizen. Eigenaren waarderen ook de variatie aan fruit die jaarlijks wordt geoogst en het onderhoud van een boomgaard is een aardige vrijetijdsbesteding inclusief het verwerken van het fruit. Door aanplant van nieuwe bomen worden ook de traditionele fruitrassen in stand gehouden. Bij een groeiende groep mensen in de streek is er vraag naar onbespoten fruit en naar de smaken van de traditionele rassen. Het sap, cider en stroop van het hoogstamfruit vindt gretig aftrek.

Verder lezen? Link naar pdf van Appels en peren langs de IJssel.

Voor aanvullende informatie zie:

Oude rassen

Het assortiment was tamelijk uitgebreid. De belangrijkste rassen appels waren de Sterappel, de Schone van Boskoop , Lemoen, Notaris, Yellow Transparant, Jonathan, Groninger Kroon, Present van Engeland, Bramley’s Seedling en de zoete variëteiten als de Zoete Kroon, Zoete Pippeling, Dijkmanszoet, Zoete Bloemee. Bij de peren waren de Juttepeer, Legipont,Winterjan, Zoete Brederode, Gieser Wildeman, Clapp’s Favourite, Conference en Zwijndrechtse wijnpeer de belangrijke rassen.

Wie in een boomgaard werkt mag er uit eten